Sporen van keuzes

By

Onderstaand verhaal is in 2026 geschreven in opdracht van de pre-master Letterkunde aan de Vrije Universiteit. De opdracht was het schrijven van een fictief verhaal over een niet-bestaande wereld.


De schrijfster kwam onverwachts aan op een eiland dat achtergelaten leek te zijn. Terwijl zij het eiland
verkende, probeerde ze te begrijpen wat er hier was gebeurd en wat de achtergelaten voorwerpen
betekenden. De schrijfster werd hierdoor geconfronteerd met haar verleden.

Na een dagenlange reis op zee zag ik een klein eilandje in de verte. Het gebied lag laag in de zee, alsof het
zich probeerde te verbergen. Ik aarzelde niet en besloot die kant op te varen om aan land te gaan. Maar hoe dichterbij ik kwam, hoe meer ik me realiseerde dat het eiland verlaten was.

Ik stapte voorzichtig van boord en zette de eerste stap op het eiland. De zon scheen fel, de lucht kleurde lichtblauw en de bomen stonden hoog en in volle bloei. Toen ik mijn volgende stap zette, voelde ik niet de fijne, zachte structuur van zand onder mijn voeten waar ik al dagen naar verlangde. Ik voelde iets hard, iets wat kraakte door mijn voetstappen.

Hoewel dit eiland een grote vuilnisbelt leek, stonk het niet. Het rook naar zoet fruit, bloeiende planten en het zoute zeewater. Ik keek in de verte naar de rest van het eiland, wat ook niet oogde als een hoop afval. Sommige spullen lagen zelfs geordend bij elkaar. Links van me, tegen een hoge boom, stond een stapel koffers die volgens het etiket allemaal tot dezelfde eigenaar behoorden. En verderop lagen talloze flessen alcohol die tot mijn verbazing ongeopend waren. De enveloppen die onder mijn voeten lagen, weerkaatsten de zon recht mijn ogen in. Ik bukte en raapte een envelop op. Hij zat nog dicht. De rand was licht gekreukeld en er zaten zwarte vegen verspreid over het papier, alsof het al een lange tocht had
gemaakt. Ik legde de envelop tussen de andere, precies op de plek waar ik hem had gevonden.

Hoe langer ik over het eiland liep, hoe meer het me opviel dat alle voorwerpen hier compleet waren.
De gesloten schoenendozen. De boeken die nog verpakt waren in plastic. Ongeopende flessen alcohol.
Koffers die op slot zaten. Brieven die nooit gelezen waren.

De bomen stonden steeds dichter op elkaar naarmate ik het binnenland bereikte. Tussen de wortels lagen stapels papieren. Aan de takken hingen gouden armbandjes en kettingen. Tussen de felgroene bladeren lagen studieboeken die mij bekend voorkwamen. Ik raapte er een vlug op en sloeg het open. Ik las mijn naam op de eerste bladzijde. Ik liet het boek uit mijn handen vallen en deed een paar stappen achteruit, waardoor ik over de dikke wortels van een boom viel. Naast mij zag ik vliegtickets liggen, op mijn naam. Het waren vliegtickets voor een reis die ik op het laatste moment had geannuleerd. Onder mij trok een blauwe map mijn aandacht. Ik reikte mijn arm ernaar uit en sloeg de map open. Ik vond mijn oude sollicitatiebrieven, die ik overigens nooit had verstuurd.

Toen viel alles op zijn plek. Het eiland was inderdaad geen vuilnisbelt, maar een verzamelplek voor keuzes die nooit zijn gemaakt. Ik keek om me heen. Overal lagen verhalen waar mensen nooit aan waren
begonnen. Voor mij hing een galante trouwjurk aan een boom, met het plastic er nog omheen. Ik voelde een brok in mijn keel. Zouden mensen hier net zoals ik ooit tussen hun eigen ongemaakte keuzes hebben
gezeten?

Ik pakte alle spullen die het eiland van mij had verzameld. Vliegtickets, sollicitatiebrieven, studieboeken en brieven. Daarna zocht ik tussen het aangespoelde hout naar droge takjes en stapelde deze op tot een klein hoopje. Met moeite creëerde ik een vonk met een oude aansteker uit mijn jaszak. Toen het hout vlam vatte, aarzelde ik niet. Uit opluchting gooide ik de oude sollicitatiebrieven op het vuur. Ik zag de
letters langzaam verdwijnen en het papier in elkaar kreukelen. Daarna volgden de vliegtickets, de studieboeken en de brieven. Met elke vlam die naar boven sloeg, voelde ik spanning uit mijn lichaam wegtrekken. Alsof de zwaarte die ik jarenlang bij me droeg ook langzaam in rook op ging.

Langzaam doofde het vuur en ontstond er een donkere plek tussen de wortels en talloze achtergelaten keuzes van onbekenden. Die van mij waren nu verdwenen. Of eigenlijk vernietigd, wat mij stiekem een voldaan gevoel gaf. Ik had helemaal niets meer om naar achterom te kijken.

Ik bleef nog even naast mijn vernietigde herinneringen zitten, terwijl ik luisterde naar de golven die
werden geremd door het zand. De zon zakte steeds verder achter de horizon en een oranje gloed werd over het eiland geworpen. Ik sloot mijn ogen en genoot van de krachtige zonnestralen die op mijn gezicht vielen. Vervolgens stond ik op en wreef de restjes as van mijn handen. De rookwolken stegen op, waarna de wind ze vervolgens meevoerde over de zee. Mijn ogen tuurden naar de plek waar het vuur was ontstaan. Al het materiaal was weg.

Ik wierp nog een laatste blik op de brandplek en besloot vervolgens om terug te gaan naar de boot. Het was tijd om het eiland achter me te laten. Ik stapte door het struikgewas, richting de open plek waar ik
vandaan kwam. De aarde onder mijn voeten voelde zacht aan. Het was bedekt met bladeren die knikten bij elke stap. De geur van de volle bloemen drong mijn neus weer binnen, terwijl zonnestralen dansten over de takken die ik met mijn handen opzij duwde.

Plots vielen mijn ogen op een hoge boom, waarin een zilveren kettinkje glinsterde in het zonlicht. Ik
pakte het sieraad uit de boom en liet het door mijn vingers glijden. Ik herkende het bedeltje dat in mijn
handpalm lag. Zodra ik kon bedenken waar het vandaan kwam, stokte mijn adem. Dit was het kettinkje dat zij mij ooit had gegeven. Ik voelde nog steeds hoe zij het slotje van de ketting achter mijn nek dichtmaakte. Haar handen rustten daarna op mijn huid, alsof ze me niet los wilde laten. Mijn hart begon sneller te kloppen, terwijl ik tegelijkertijd het verdriet voelde opborrelen.

Die zomer vonden haar handen keer op keer mijn huid. En uiteindelijk andersom ook. Dit werd al
snel een gewoonte voor ons, terwijl deze avonden de dag erna niets meer voor ons betekenden. Het was
makkelijker op die manier. Makkelijker dan de vreemde blikken die we zouden krijgen, of de talloze vragen die mijn familie zou stellen.

Ik bleef een tijdje onder de boom zitten met het kettinkje in mijn hand. Mijn ogen bleven staren naar
het kleine bedeltje dat met de wind mee bewoog. Ik zocht naar iets wat bewees dat het niet klopte. Dat dit niet mijn kettinkje was. Misschien een kras die ik niet herkende? Of een klein detail dat erop wees dat het sieraad niet bij mij hoorde?

Ik vond niks. Hoe langer ik naar het kettinkje keek, hoe meer ik besefte dat het daadwerkelijk van mij was. Ik slikte moeizaam. Mijn ogen keken omhoog en gleden langs de takken, waar andere sieraden
hingen. Gouden oorbellen, parelkettinkjes, kinderarmbandjes. Zoveel verschillende verhalen, waar die van mij tussenhing. Alsof het niets was. Alsof wij niets betekenden. Waarom had ik nou mijn gevoelens
weggeschoven?

Mijn blik bleef gefocust op het kettinkje, terwijl mijn gedachten werden teruggetrokken naar alle momenten die ik met haar had beleefd. Ik voelde tranen opkomen. Ik had haar laten gaan zonder haar te
zeggen wat ik voelde. En nu zat ik hier, jaren later, met onverwerkte gevoelens.

Met trillende benen stond ik op. Mijn hand zat nog geklemd om het kettinkje. Even overwoog ik om
het sieraad in mijn zak te stoppen en mee te nemen, alsof ik nog iets kon redden. Maar diep van binnen wist ik dat het klaar was, dat ik het verpest had en dat er niets meer te redden viel. Ik stak mijn arm uit naar de tak waar ik de ketting had gevonden en hing het voorzichtig terug. Het bungelde zachtjes heen en weer, en de zon scheen precies op het bedeltje.

Ik zette een stap achteruit en keek nog even naar het kettinkje. Ik voelde schuld opkomen. Niet alleen naar haar en dat ik niet eerlijk was geweest, maar ook naar mezelf. Ik draaide me met een ruk om en
begon in een rap tempo te lopen. Mijn ademhaling werd onregelmatig en mijn voetstappen onrustig. Ik
focuste op de aarde onder mijn voeten, op het geluid van de golven en de boot waar ik steeds dichterbij
kwam.

De momenten die ik met haar samen had, flitsten voor mijn ogen. Haar lach, haar stem, haar helderblauwe ogen. Alle gedachten die ik jaren had weggeduwd, kwamen weer omhoog. Ik probeerde het uit mijn gedachten te zetten, maar het bleef maar terugkomen.

Ik bereikte de boot, stapte aan boord en voer snel weg van het eiland. Ik had gehoopt dat de afstand
tussen mij en het kettinkje mijn gevoelens voor haar kon verwerken. Maar hoe verder ik kwam, hoe
duidelijker het werd dat sommige dingen niet slijten.