De vrouwelijke stem in de Nederlandse literatuur: Een proces met progressie en tegenslagen

By

Mannelijke auteurs zijn eeuwenlang dominant geweest in de literaire wereld, waardoor vrouwen altijd moesten strijden voor een gelijkwaardige positie. Toen vrouwen vanaf de Renaissance langzaam begonnen met schrijven, werd hun deelname door zowel henzelf als mannelijke auteurs als iets opmerkelijks gezien. Vaak moesten zij zichzelf verontschuldigen dat de huiselijke taken niet ten koste gingen van het schrijven. Het idee dat vrouwen niet konden en mochten schrijven, bleef ook in de eeuwen hierna bestaan. Hoewel de waardering voor vrouwelijke auteurs in de eenentwintigste eeuw aanzienlijk is toegenomen, heeft het gender dus een lange tijd een bepalende factor gespeeld in de beoordeling van literatuur. De deelname van vrouwelijke auteurs en de waardering voor hen was geen lineair proces, maar ging met ontwikkelingen en tegenslagen. Daarom luidt de onderzoeksvraag hoe de positie van vrouwelijke auteurs zich binnen de literaire wereld heeft ontwikkeld.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden, wordt in chronologische volgorde gekeken naar de deelname van vrouwelijke auteurs in het literaire veld. Dit begint in de Renaissance. In de publicatie Met en zonder lauwerkrans vertellen Couttenier et al. (4) dat vanaf de Renaissance rond 1500 verschillende vrouwelijke auteurs de literaire wereld binnentraden, wat zowel door henzelf als mannelijke collega’s als iets bijzonders werd ervaren. Schrijfsters moesten voortdurend uitleggen dat het niet verkeerd of on-bijbels was dat zij zouden leren. Ze schreven dezelfde soorten gedichten als hun mannelijke collega’s. Dit waren sociale teksten, zoals lofdichten, vriendschapsdichten, dichtbrieven, liefdesgedichten en bruiloftsgedichten (Couttenier et al. 66).

De zeventiende eeuw

In de zeventiende eeuw gingen steeds meer vrouwen meedoen aan literaire activiteiten. Dit begon in Amsterdam en breidde zich uit tot Middelburg, Dordrecht, Leeuwarden en Groningen. In eerste instantie schreven ze gedichten voor zichzelf en hun naaste omgeving, maar aan het einde van de zeventiende eeuw kregen vrouwen steeds meer mogelijkheden om hun gedichten te publiceren. Veel vrouwen bundelden destijds hun eigen werk (Couttenier et al. 18).

Hoewel steeds meer vrouwen het literaire veld binnentraden, werd hun werk tot 1800 niet serieus genomen: ‘Het werd zeker geprezen, soms zelfs uitzonderlijk bejubeld, maar het werd niet beschouwd als concurrerend met dat van de mannelijke collega’s, en er werd ook geen serieuze kritiek op geleverd’ (Couttenier et al. 7). De reden hiervoor was onder andere dat vrouwen werkten vanuit een kennisachterstand en geen toegang hadden tot een goede schoolopleiding. Vrouwen die wel literatuur schreven, hebben zichzelf dus jarenlang moeten bewijzen:

Kan een maagd echt een heldendicht schrijven? Dat vroeg een overigens sympathieke lofdichter zich af toen Margareta Geertruid van der Werken in 1756 als eerste vrouw een epos schreef. De vrouwen zelf aarzelden soms ook, en verontschuldigden zich. Iedere keer weer lieten ze weten dat hun dichten niet ten koste ging van hun eigenlijke werk, het huishouden. Ze voegden zich ook graag in het gezelschap van eerdere schrijfsters, en gaven daarmee aan dat ze steun zochten op een soms moeilijk begaanbare weg (Couttenier et al. 4).

De achttiende eeuw

In de achttiende eeuw, ook wel ‘eeuw van de vrouw’ genoemd, nam het aantal vrouwelijke auteurs aanzienlijk toe, maar zij bleven nog steeds een uitzondering. Zo waren zij in dichtgenootschappen in de minderheid. Wel ontstond er aan het einde van de achttiende eeuw een genre waarin vrouwen de dominante rol hadden, maar dit werd wederom niet serieus genomen (Couttenier et al. 4). In de publicatie ‘Mannentaal en vrouwenpraat’ vertelt Streng dat auteurs alleen schreven over de wereld waarmee zij ervaring hadden. Hierdoor schreven veel vrouwen destijds over het huiselijk leven, waardoor het genre van de huiselijke roman ontstond. Onderwerpen als de maatschappij, politiek en geschiedenis lagen buiten hun bereik. In de publicatie ‘De waardering voor vrouwelijke auteurs in de 20e eeuw’ werd volgens Speet de huiselijke roman in een bepaalde hoek gezet. Willem Kloos gebruikte de term de ‘damesroman’ om zijn afkeuring uit te drukken. Daarnaast werd in tijdschriften verkondigd dat het om een ‘vrouwengenre’ ging en dat dit meestal door alleen vrouwen gelezen werd, niet wetende of dit echt zo was.

De negentiende eeuw

Volgens Streng bleef in de negentiende eeuw het gender van de auteur een belangrijke factor in de beoordeling van diens werk. Nog steeds leefde het idee dat de vrouw niet kon schrijven. Dit blijkt ook uit de publicatie van Couttenier et al. (5). Zo staat hierin vermeld dat vrouwen aan het begin van de negentiende eeuw literatuur begonnen te recenseren, maar dit werd toen vreemd gevonden. Het feit dat een vrouw in het openbaar een oordeel gaf, was opmerkelijk. Ook werden talloze gedichten en beschouwingen gepubliceerd waarin de verheerlijking van de vrouw die haar leven wijdde aan de kinderen en het gezin centraal stond. Vrouwen die hun leven wijdden aan de literatuur, besloten een mannelijk pseudoniem te gebruiken om meer succes te kunnen krijgen. Toen bijvoorbeeld A.L.G. Toussaint aan het einde van 1830 debuteerde, namen recensenten aan dat haar werk door een man was geschreven. Recensenten behandelden niet specifiek haar romans, maar bespraken hoe verbazingwekkend het was dat het door een vrouwelijke auteur was geschreven. Hierdoor besloot Toussaint dat zij haar werk niet meer liet recenseren (Streng).

De bevindingen van Couttenier et al. (45) sluiten aan op het feit dat vrouwelijke auteurs meer succes konden krijgen als ze hun werk onder mannelijke pseudoniemen publiceerden. Zo kregen schrijfsters in de negentiende eeuw ook meer erkenning als ze getrouwd waren. Het succes van hun werk kon versterkt worden door de naam van hun man.

De twintigste eeuw

Volgens Speet werd er in de twintigste eeuw nog steeds niet omgekeken naar het werk van debuterende vrouwelijke auteurs. In de publicatie Het sterke geslacht sluit Stevens (8) zich hierbij aan: ‘Waar in de twintigste eeuw ook maar serieuze literatuur werd gemaakt, vrouwen hoorden er niet bij’. Voorbeelden van schrijfsters die in de twintigste eeuw publiceerden, zijn Top Naeff, Annie Salomons, Margo Antink, Jeanne Reineke van Stuwe, Jo de Wit, Marie Koenen, Virginie Loveling, Anja Meulenbelt en Hannes Meinkema. Nog steeds vond men vrouwenbelevenissen onliterair. Wanneer vrouwen dan bestsellers schreven, vond men dat ‘verdacht’. Er zou dan geen sprake meer zijn van ‘echte’ literatuur. Ook brachten recensenten de term ‘damesroman’ terug in leven, om aan te tonen dat zij hun werk onbelangrijk vonden.

Ook Menno ter Braak keurde de ‘mevrouw-schrijfster’ en hun romans af. Hij beweerde dat deze te veel waren gericht op het lezerspubliek, waardoor ze niet literair konden zijn. Een andere reden voor zijn afkeur is het negatieve beeld van mannen wat in romans van vrouwen voorbij kon komen. Ter Braak noemde dit ‘onvrouwelijk’. Carry van Bruggen was met haar roman Eva een uitzondering in de twintigste eeuw (Speet). Zo licht Stevens (20) toe dat  Menno ter Braak wel bewondering voor Van Bruggen had. Andere recensenten stelden dat het geen literatuur was omdat ze joods was. Daarnaast noemden sommige critici het weer een ‘damesroman’ (Stevens 19).

Het was destijds normaal dat veel recensenten of mannelijke auteurs vrouwelijke auteurs afkraakten:

Vrouwen afkraken om hoe ze eruit zien, hoe ze klinken, omdat ze te oud zijn of te jong, omdat ze zweverig zijn of juist niet van de grond komen, het hele reaguurdersorgel was al in de jaren zeventig bij Gerrit Komrij te horen. Als columnist voor NRC Handelsblad schoffelde Komrij talloze schrijfsters onder. Omdat het vrouwen waren (Stevens 15).

In de publicatie ‘Anna Bijns en de vrouwelijke stem in de literatuur’ stelt Triest (412) dat het werk van vrouwelijke auteurs niet alleen werd afgekraakt, maar ook grotendeels werd genegeerd door critici. Dit blijkt uit het feit dat de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde (de P.C. Hoofdprijs) drieëndertig keer werd uitgereikt aan een man en vier keer aan een vrouw. Hierdoor kregen vier Nederlandse schrijfsters, Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Caroline van Tuyll en Elly de Waard het idee om zelf een prijs toe te kennen. Dit werd de Anna Bijns Prijs genoemd. Anna Bijns was een schrijfster die in het begin van de zestiende eeuw niet trouwde, niet het klooster inging en geen begijn werd. Ze schreef over erotische hartstocht. Ook toont ze in haar werk een sterke mening over alles wat niet echt is, zoals een huwelijk vol leugens of een slechte vriendschap. Voorbeelden van vrouwelijke auteurs die de Anna Bijns Prijs hebben gewonnen, zijn Josepha Mendels in 1986, Ellen Warmond in 1987 en Inez van Dullemen in 1989 (Triest 412).

De eenentwintigste eeuw

In de eenentwintigste eeuw wordt literatuur soms nog beoordeeld op basis van gender. Zo onderzocht Corina Koolen het literaire gehalte in romans: ‘Lezers vinden romans geschreven door mannen met een mannelijke hoofdpersoon (nog steeds) het meest literair. Is het geslacht van de auteur echter onbekend, dan verdwijnt de genderbias’ (Speet). Ook Stevens (9) benoemt dat het geslacht nog steeds een rol speelt in de beoordeling van literatuur. Zo reageerde een lezer op een stuk van Mariët Meester in Trouw dat men zich niets moest laten wijsmaken, want iedereen wist dat vrouwen niet konden schrijven.

Verder zien we in deze eeuw opnieuw een toename van vrouwelijke auteurs. Zo debuteerde onder andere Hanna Bervoets, Niña Weijers, Maartje Wortel, Nina Polak, Lize Spit en Roos van Rijswijk. Inmiddels hebben vrouwelijke auteurs veel prijzen gewonnen, terwijl voorheen het aantal genomineerde vrouwen voor literatuurprijzen sterk in de minderheid was. Van bovenstaande vrouwelijke auteurs hebben bijvoorbeeld Weijers en Van Rijswijk de Anton Wachterprijs gewonnen, terwijl die vroeger naar een mannelijke debutant ging (Stevens 30).

Terugkijkend wordt gesteld dat mannen de dominante rol in de literaire wereld hebben geclaimd (Stevens 29). De meerderheid van het leespubliek zijn vrouwen. Toch wordt naar de literatuur gekeken alsof het een wereld is waarin mannen wonen, en vrouwen slechts te gast zijn. De literatuur is nooit een exclusief mannelijk territorium geweest. Vrouwen hebben hier altijd deel van uitgemaakt:

Pas toen types als Ezra Pound en Menno ter Braak zich opwierpen als bewakers van de ivoren toren veranderde de literatuur in een apartheidszone vol neurotische en agressieve mannen en werden vrouwen de ogenschijnlijke minderheid. Vrouwen hebben altijd de meerderheid gevormd van het lezerspubliek. Schrijven is altijd een typisch vrouwelijke activiteit geweest. Vrouwen schreven de brieven, vrouwen schreven boeken. Vrouwen leerden kinderen de taal, ze observeerden als moeder of als schooljuf alle menselijke gedragingen in miniatuurvorm (Stevens 29).

De positie van vrouwelijke auteurs in de literaire wereld ging met zowel progressie als tegenslagen. In de Renaissance betraden steeds meer vrouwen het literaire veld, maar dit werd door henzelf en mannelijke auteurs als iets opmerkelijks beschouwd. Ze moesten zichzelf voortdurend verdedigen en benadrukken dat het niet on-bijbels was. Ook in de zeventiende eeuw nam het aantal vrouwelijke auteurs toe en groeiden de mogelijkheden voor het publiceren van hun werk. Toch werden zij tot ruim 1800 niet gelijkwaardig behandeld ten opzichte van mannelijke auteurs. De achttiende eeuw kenmerkt zich door de ‘eeuw van de vrouw’. Dit kwam door de opkomst van het genre van de huiselijke roman, waarin vrouwelijke auteurs de dominante rol hadden. Toch liett dit zien dat vrouwelijke auteurs nog steeds niet serieus werden genomen, omdat men vond dat onderwerpen als de maatschappij, politiek en geschiedenis buiten hun bereik lagen. In de negentiende eeuw speelde het gender van de auteur nog steeds een rol in de beoordeling van diens literatuur. Hierdoor gebruikten veel vrouwelijke auteurs mannelijke pseudoniemen. In de twintigste eeuw werd het werk van vrouwen genegeerd, als onliterair bestempeld of ‘damesroman’ genoemd. Veel critici, zoals Menno ter Braak en Gerrit Komrij, droegen actief bij aan de negatieve beeldvorming over vrouwelijke auteurs. Hierdoor besloten schrijfsters Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Caroline van Tuyll en Elly de Waard de Anna Bijns Prijs op te richten, om de literaire stem van vrouwen te versterken. In tegenstelling tot voorgaande eeuwen, is er in de eenentwintigste eeuw sprake van groei in erkenning van vrouwelijke auteurs door de vele prijzen die zij inmiddels hebben gewonnen. Er wordt gesteld dat mannen nooit een dominante rol in de literaire wereld hebben gekregen, maar hebben geclaimd. Critici hebben hier een bijdrage aan geleverd door lange tijd alleen het werk van mannelijke auteurs serieus te nemen. Vrouwen hebben dus altijd een deel uitgemaakt van de literatuur, maar door de eeuwen hebben zij keer op keer moeten vechten voor erkenning.


Dit artikel is in 2025 geschreven in opdracht van de Vrije Universiteit.